Sitemap Contact Kalender Nieuw Home

Projectendatabank FEDRA

Presentatie

Onderzoeksacties

Personen

Zoeken

Politieke mobilisatie en nieuwe communicatietechnologie: een multilevel studie van de digital divide (INTERMOB)

Onderzoeksproject TA/00/09 (Onderzoeksactie TA)


Personen :


Beschrijving :

Binnen de wetenschappelijke literatuur bestaat een ruime consensus over het belang van politieke participatie als een onmisbaar onderdeel van een goed functionerend democratisch politiek systeem. Participatie-ervaringen kunnen enerzijds leiden tot het interioriseren van democratische waarden en attitudes, in wat ‘de leerschool van de democratie’ genoemd wordt (Hooghe 2003). Anderzijds heeft participatie ook externe voordelen, doordat grotere groepen van de bevolking toegang krijgen tot de politieke besluitvorming, en op die manier hun stem kunnen laten horen in het besluitvormingsproces. Voor zwakkere groepen in de samenleving is het uitspelen van hun aantal vaak de enige manier om hun stem te laten horen in de politiek (Skocpol 2003).

Met de de snelle opkomst van Internet, en ICT meer in het algemeen, sinds de jaren ’90 en het doordringen ervan tot in zowat alle levensdomeinen, werden reeds verschillende hypothesen geformuleerd omtrent de mogelijke invloed van het Internet op participatie-patronen. Terwijl sommige auteurs vrezen dat het Internet een negatieve invloed zal hebben op het participatieniveau, stellen anderen dat het nieuwe medium juist een gunstige invloed kan hebben op de politieke participatie. In de literatuur wordt er net zo goed gediscussieerd over de vraag of Internet zal zorgen voor de mobilisatie van nieuwe groepen in de bevolking, die tot dusver ondervertegenwoordigd waren (mobilisatie-these), of dat het medium enkel zal leiden tot een versterking van bestaande ongelijkheden (versterkings-these). Het voorkomen van participatie is voor een flink stuk afhankelijk van de aanwezigheid van mobilisatiestructuren en campagnes, zoals sociale bewegingen, politieke partijen of de massamedia (Tarrow 1998). Eerder onderzoek toonde reeds aan dat traditionele mobilisatiestructuren zoals politieke partijen terrein verliezen ten voordele van meer recente structuren zoals de massamedia (Walgrave & Manssens 2000). De basisvraag bij dit project is of dit vervangingsproces nog verder gaat, en of het Internet en andere vormen van nieuwe communicatietechnologie, geleidelijk belangrijker worden als mobilisatie-instrument. Bovendien wordt afgevraagd wat de democratische gevolgen zouden kunnen zijn van een dergelijke vervangingstrend. In andere woorden: Kunnen we verwachten dat het Internet een positieve, dan wel een negatieve invloed zal hebben op het democratische karakter van de politieke participatie in de westerse samenlevingen?

Het overgrote deel van het huidige onderzoek naar politieke participatie heeft zich tot dusver beperkt tot één analyse-niveau, namelijk dat van de individuele gebruiker. Op dat niveau werden inderdaad sterke ongelijkheden vastgesteld als gevolg van leeftijd, scholingsniveau en geslacht (“digital divide”). Politieke participatie beslaat echter telkens drie niveaus. Er is het niveau van de individuele gebruiker (micro). Daarnaast zijn er echter ook de organisaties die mobiliseren voor politieke actie (meso). Op het meso-niveau wordt de vraag dan of organisaties die over minder middelen beschikken, meer mobilisatiemogelijkheden hebben als gevolg van de relatief lage kostprijs van ICT. De tegenovergestelde hypothese is hier dat het uitbouwen van een attractieve en afwisselende website juist wel een belangrijke inspanning vergt, zodat de rijkere organisaties ook hier een competitief voordeel genieten. Ook op het niveau van de organisaties kunnen we met andere woorden zowel met een versterkings- als met een mobilisatietrend te maken hebben. Ten slotte is er het politiek systeem, dat functioneert als doelwit voor politieke participatie en mobilisatie (macro). Ook op dit niveau is het democratisch potentieel van Internet echter problematisch. In de meeste studies wordt er, al dan niet impliciet, van uitgegaan dat het medium waarlangs burgers hun voorkeuren uiten, geen invloed heeft op de uiteindelijke effectiviteit van het participatiegedrag. Men zou echter van de veronderstelling kunnen uitgaan dat beleidsverantwoordelijken minder aandacht zullen besteden aan boodschappen die relatief weinig inspanning aan de verzender kosten, zoals bijvoorbeeld het doorsturen van een Internet-petitie. Daarom is het belangrijk om ook aandacht te besteden aan de manier waarop overheden en overheidsinstanties omgaan met de informatie die hen door burgers wordt bezorgd via ICT.

In dit onderzoeksproject zullen alle drie deze niveaus worden bestudeert, om zo tot een meer omvattend beeld te komen van de democratische impact van Internet en andere nieuwe vormen van communicatietechnologie. De centrale onderzoeksvraag valt daardoor uiteen in drie subvragen: (1) versterkt ICT de bestaande ongelijkheden op het niveau van de individuele participant?; (2) zorgt ICT voor een lagere financiële drempel voor collectieve actoren die wensen te mobiliseren?; (3) leidt ICT tot een meer succesvolle interactie tussen burger en politiek systeem?

De eerste vraag peilt vooral naar de mate waarin alle bevolkingsgroepen in gelijke mate gebruik (kunnen) maken van ICT-toepassingen. Het onderzoek naar de “digital divide” wijst er op dat vooral vrouwen, ouderen en lagergeschoolden hierin ondervertegenwoordigd zijn (Norris 2001). Recentere studies tonen aan dat deze kloof weliswaar verkleind is, maar zeker niet verdwenen, in elk geval niet als we de intensiteit van het gebruik mee in de analyse betrekken (Mossberger, Tolbert et al. 2003). Gebruik van ICT-toepassingen voor politieke participatie zou daardoor juist kunnen leiden tot een versterking van de ongelijkheden, eerder dan tot een reductie van deze ongelijkheid.

De tweede vraag is ontleend aan het huidige onderzoek over de gevolgen van ICT voor sociale bewegingen (van de Donk, Loader et al. 2004). In sommige gevallen kan het gebruik van ICT inderdaad leiden tot een lagere financiële drempel voor organisaties die een ruim publiek wensen te bereiken. De introductie van ICT zal echter niet dezelfde impact hebben voor alle soorten bewegingen en organisaties. Zeker voor sociale bewegingen, die over het algemeen een sterk netwerk-karakter hebben (Diani and McAdam 2003), lijkt het gebruik van ICT daarom bijzonder aanlokkelijk. In het bijzonder allerlei vormen van internationale coördinatie en mobilisatie zouden in principe gemakkelijker moeten worden door het gebruik van ICT (Van Aelst and Walgrave 2004; Norris, Walgrave & Van Aelst 2005).

De derde vraag behandelt de uiteindelijke politieke impact van politieke participatie en mobilisatie. Krijgen participatie-boodschappen die met behulp van ICT worden doorgezonden, evenveel aandacht en weerklank als boodschappen die via traditionele weg worden overgemaakt? Overheden worden uiteraard bestookt met allerlei vormen van communicatie en belangenaggregatie. Ze ontwikkelen echter ook procedures om deze informatie te stroomlijnen en de vraag is daarbij op welke manier wordt omgegaan met informatie die gebruik maakt van ICT. De vraag is met andere woorden hoe democratisch de ‘back office’ van allerlei vormen van e-government in de praktijk functioneert.

Deze drie subvragen zullen beantwoord worden aan de hand van zes werkpakketten: (1) een overzicht van de ongelijkheden ten aanzien van het gebruik van Internet; (2) een analyse van hoe organisaties ICT inzetten voor netwerkvorming en het mobilisatie; (3) een studie over Internet als campagne-instrument voor politieke partijen; (4) een studie naar het verband tussen de middelen die organisaties ter beschikking hebben en het succes van hun Internetaanwezigheid; (5) een vergelijkende studie naar het gebruik van Internet door organisaties voor transnationale mobilisatie; (6) een beleidsgerichte studie naar hoe de overheid kan omgaan met vormen van e-communicatie met de burger. De nadruk ligt op een comparatieve benadering, waarbij de Belgische situatie wordt vergeleken met die in de Verenigde Staten (waar het gebruik van Internet bijzonder sterk verspreid is), en in Canada (waar e-government het sterkst is uitgebouwd).

Deze studie maakt gebruikt van de expertise van elk van de vier onderzoekspartners, met betrekking tot mobilisatie, sociale bewegingen, netwerkstudie, de impact van participatie en politieke informatie, campagnes van politieke partijen, en transnationaal activisme door sociale bewegingen. De gegevens in dit rapport zijn relevant, zowel voor beleidsmakers, verantwoordelijken uit de civil society, als voor onderzoekers op het terrein van de politieke wetenschappen en de communicatiewetenschappen.


Documentatie :

Politieke mobilisatie en nieuwe communicatietechnologie: een multilevel studie van de digital divide (INTERMOB) : eindrapport  Walgrave, Stefaan - Hooghe, Marc - Bennett, Lance ... et al  Brussel: Federaal Wetenschapsbeleid, 2010 (SP2196)
[Om te downloaden

La mobilisation politique et les nouvelles technologies de communication: une étude à divers niveaux sur la fracture numérique (INTERMOB) : synthèse    Bruxelles : Politique scientifique fédérale, 2011 (SP2421)
[Om te downloaden

Politieke mobilisatie en nieuwe communicatietechnologie: een multilevel studie van de digital divide (INTERMOB) : synthese    Brussel : Federaal Wetenschapsbeleid, 2011 (SP2422)
[Om te downloaden

Political mobilization and new communication technology: a multi-level study of the digital divide (INTERMOB) : summary    Brussels : Federal Science Policy, 2011 (SP2423)
[Om te downloaden

Over deze website

Uw privacy

© 2017 POD Wetenschapsbeleid