Naar de BELSPO website NL FR DE EN Contact

Universiteiten, hogescholen en onderzoeksfondsen

Voor deze doelgroep werd de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing ingevoerd via de programmawet van 24 december 2002 en de maatregel trad in werking op 1 oktober 2003. Het oorspronkelijke vrijstellingspercentage van 50% (wat correleerde met de 50% tijdsbesteding die een universitaire assistent aan O&O-activiteiten wijdt) werd m.i.v. 1 januari 2005 verhoogd tot 65% en m.i.v. 1 januari 2009 op 75% gebracht.

De wet betreffende het generatiepact van 23 december 2005 incorporeerde de maatregel m.i.v. 1 januari 2006 in het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (art. 275-3).

De vrijstellingsmaatregel is van toepassing op universiteiten, hogescholen en onderzoeksfondsen (FWO en FNRS). Hij viseert assisterend academisch personeel (assistent, doctor-assistent, eerst-aanwezend assistent) postdocs en onderzoekers van gelijkaardig niveau, tewerkgesteld in onderzoeksprojecten.

Gezien het uitgangspunt van de maatregel de typische situatie van een universitaire assistent is, die 50% van zijn tijdsgebruik aan O&O-taken besteedt, wordt hierdoor een drempel ingevoerd. Vanaf 50% O&O-tijdsbesteding kan de vrijstelling van doorstorting worden toegepast.

De maatregel kan niet worden aangewend om de loonkost van kenniswerkers te verlagen. Boekhoudkundig omvat de loonkost een bedrijfsvoorheffing aan 100%, alsof deze volledig in de Schatkist werd gestort. De universiteiten, hogescholen en onderzoeksfondsen dienen de opbrengsten, die ontstaan zijn door de gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, aan te wenden voor additionele investeringen in onderzoek en ontwikkeling.

Belgium.be