Het
plankton van het Belgisch Continentaal Plat
Het plankton is de verzamelnaam van alle
planten en dieren die passief in de waterkolom meedrijven,
respectievelijk het fytoplankton en zoöplankton genoemd.
Sommige blijven heel hun leven lang deel uitmaken van het plankton.
Andere, waaronder nogal wat grotere organismen, doorlopen de
planktonfase enkel tijdens de eerste stadia van hun levensgeschiedenis.
Zo hebben verschillende vissoorten en kreeftachtigen larven die
voorkomen in de waterkolom en deel uitmaken van het plankton.
FYTOPLANKTON:
het kleine, zwevende plantengrut
Het fytoplankton bestaat uit een grote variatie aan microscopisch
kleine algjes. Als basis voor het voedselweb vormen ze het voedsel
voor de hogere trofische niveaus. Ze leven van anorganische voedingsstoffen
en produceren, met de hulp van zonlicht, zuurstof. Hun aanwezigheid
wordt voornamelijk bepaald door de temperatuur en de beschikbaarheid
van licht en voedingsstoffen. Door de voortdurende menging van
de waterkolom kent onze Noordzee troebel water en dus minder
lichtdoordringing. Anderzijds worden de anorganische nutriënten
zoals stikstof (N), fosfor (P) en kiezelzuur (Si), die naar de
bodem zinken, voortdurend terug in de waterkolom gebracht door
de constante menging. Als we spreken over fytoplankton, dan hebben
we het o.a. over diatomeeën (kiezelwieren), dinoflagellaten
en blauwwieren (Cyanobacteria) maar ook veel ééncellige
dierlijke organismen en sommige hogere dieren leven samen met
zogenaamde symbiontische algen (foraminiferen, raderdiertjes).
ZOOPLANKTON IN MATEN EN GEWICHTEN
Binnen het zoöplankton onderscheidt men drie grootteklassen.
De vertegenwoordigers van het microzoöplankton (<200µm)
zijn raderdiertjes (genoemd naar de kroon van wervelende trilharen
rond de mondopening) en eencelligen (o.a. foraminiferen). Tot
het mesozoöplankton (< 2 mm, maar > 200 µm)
behoren die roeipootkreeftjes (Copepoda) die zich niet actief
voortbewegen, en de larven van andere ongewervelde organismen
(bv. de nauplius- en zoea-larven van de krab). Het grotere macrozoöplankton
omvat dan weer vlokreeftjes, vislarven en kwallen. Wanneer het
zoöplankton sterft, zakken de restanten naar de bodem en
dienen er als voedselbron voor weer andere organismen.
BENTHO-PELAGISCHE KOPPELING,
of de relatie tussen het plankton en de zeebodemorganismen
Het plankton vormt de basis van het voedselweb in de zeeën
en oceanen en is daarom van essentieel belang voor het voortbestaan
van alle grotere soorten. Het plankton speelt een belangrijke
rol in de bentho-pelagische koppeling,
d.i. de relatie tussen de organismen op de bodem en die hoger
in de waterkolom. Wanneer het fyto- of zoöplankton afsterft,
zinken zij van de waterkolom naar de bodem, waar zij een belangijk
organisch voedsel vormen voor heel wat ander leven. Het fytoplankton
kan echter ook een (te) snelle populatiegroei ondergaan, beter
bekend onder de noemer algen-bloei’. Deze ‘bloeien’ hebben
een tegenstrijdig op de andere mariene organismen: een ‘bloei’ zorgt
langs ene kant voor meer voedsel, maar kan langs de andere ook
schadelijk zijn. Als het merendeel van het fytoplankton tijdens
een ‘bloei’ afsterft, zinkt het immers naar de bodem
begint het te rotten, waardoor er een zuurstoftekort ontstaat
dat nefast kan zijn voor de bodemorganismen.
ELK HEEFT ZIJN SEIZOEN
De verschillende fytoplankton soorten verschijnen niet allemaal
tegelijk. Als gevolg van de wisselende milieucondities treedt
er een seizoenale afwisseling van de wacht op. Vanaf eind februari
verschijnen de eerste fytoplankton
organismen. Eerst beginnen de kiezelwieren of diatomeeën
zich te vermenigvuldigen (Fig
1). Zij hebben betrekkelijk weinig
licht nodig en vormen de meest dominante fytoplankton groep in
de Noordzee. Diatomeeën gebruiken kiezelzuur voor de aanmaak
van hun kiezelschaaltjes. Als dit kiezelzuur
opraakt doen de kiezelwiertjes een stapje terug en verschijnen
de eerste flagellaten. Dit zijn alle fytoplanktonsoorten die één
of meerdere flagellen of zweephaartjes bezitten.
In onze contreien is vooral de flagellaat Phaeocystis berucht.
Dit ééncellig organisme, ook wel ‘plaagalg’ genoemd,
is omgeven door een gelatine-achtige mucus, bestaande uit eiwitten.
Wanneer de algen in april-mei afsterven, komen deze eiwitten
vrij en worden door de branding opgeklopt tot het karakteristieke
voorjaarsschuim op onze stranden. De zoöplankton organismen
vertonen eveneens grote temporele verschillen. Als je het zoöplankton
bemonstert in juli zijn andere soorten dominant dan wanneer je
deze fractie bemonstert in pakweg september. Fig
2 geeft dit
bijvoorbeeld heel duidelijk aan voor de copepoden,
meest dominante groep binnen het zoöplankton van onze kustwateren.
|
 |