Home NL FR DE EN Contact Help Zoeken Links
Wetenschap in de kijker... - Onze zee... rijker dan je denkt

Onze zee... rijker dan je denkt

De vissen van het Belgisch Continentaal Plat

Het BCP is door haar specifieke morfologie van zandbanken een gunstige plaats voor jonge organismen om op te groeien. De ligging van de zandbanken verleent namelijk een beschermende en beschuttende functie aan de kust, waardoor ze als kraamkamer beschouwd wordt voor zowel vissen als ongewervelden. Op deze manier groeien de jonge vissen van
een aantal soorten op in de kraamkamers bij de kust, gescheiden van de adulte populaties (dit is o.a. het geval bij platvissen).

De verschillende levensstadia - ei, larve, juveniel, subadult en adult (volwassen) - van een vis vertonen niet altijd dezelfde levenswijze. Zo drijven de eieren en de jonge larven van een bodemlevende vis (b.v. tong) mee in de waterkolom (plankton), terwijl juvenielen en adulten zich op of in de buurt van de bodem bevinden. Een vis kan m.a.w. gedurende zijn
levensgeschiedenis deel uitmaken van verscheidene ecosystemen. Als hij voorkomt in de waterkolom wordt dit als pelagisch bestempeld en nabij de bodem als demersaal.
Vissen verkiezen bovendien een bepaald sedimenttype: sommige soorten kiezen voor een zandige bodem, anderen voor een slikbodem.

Eén soort is volledig uitgestorven op het BCP, namelijk de stekelrog. Drie geïntroduceerde soorten zijn de grote marene, de bronforel en de regenboogforel.

Mariene vissoorten binnen het BCP
141 soorten
Autochtoon (oorspronkelijke bewoners)
138 soorten
Geïntroduceerd
3 soorten
Uitgestorven
1 soort

Bodemlevende vissen
Commercieel:


Niet commercieel:
Platvissen (tong, schol, bot, schar)
Kabeljauwachtigen (kabeljauw, schelvis, en wijting)
Grondels, pieterman, slijmvis,en zeenaalden
Zeewolf, doornhaai en steenbolk
Pelagische vissen
Commercieel:
Niet commercieel:
Haring, sprot, makreel
Diklipharder, smelt

Genetische verschillen tussen vissen

Door middel van genetisch onderzoek kan men heel wat te weten komen over de populatiestructuur en de migratiepatronen van vissen. De grondel, het dikkopje (ook zoetemondje of suikerbuikje genaamd), verplaatst zich over relatief kleine afstanden (in de grootte orde van 10 – 50 km) en doet aan broedzorg. De larven zijn vrijlevend. Er is een duidelijk genetisch verschil tussen dikkopjes van de zuidelijke Noordzee en dikkopjes van het Kanaal, die dan weer sterk lijken op de populatie van de noordelijke Noordzee. Binnen de zuidelijke Noordzee vinden we subtielere verschillen (metapopulaties genaamd) voor de Belgische en de Nederlandse kust.
De tong daarentegen vertoont een heel ander genetisch patroon. Deze vis heeft een vrijlevend (planktonisch) stadium (ei en larve) en kan zich als volwassene over grote afstanden verplaatsen (in de grootte orde van 50 – 200 km). Hij vertoont heel wat minder genetische variatie binnen de Noordzee. Op Europese schaal daarentegen bestaat er echter een genetische structuur. Er zijn duidelijke verschillen tussen tong uit de Oostelijke Middellandse Zee, de Westelijke Middellandse Zee en de Atlantische oceaan.

Onderstaande figuur toont het verschil in genetische vingerafdruk tussen een populatie tong van de Noordzee en een populatie van de Adriatische Zee. Zulk genetisch bandenpatroon laat toe om snel de genetische verschillen tussen populaties te ontdekken. Vissen (= kolommen) links op de figuur komen uit de Noordzee; vissen rechts op de figuur uit de Adriatische Zee. Bemerk de grotere diversiteit aan bandjes (allelen genoemd) in de Noordzee en de aanwezigheid van een vaak voorkomend allel (onderste banden) in de Adriatische Zee. Deze methode vindt toepassingen in de voedselveiligheid en het beheer van visstocks.

Kabeljauw
Tong
Makreel
Tarbot
Genetische vingerafdruk van tong
Belgium.be