Geboorteregisters door de geschiedenis heen

 

Parochieregister van Gentinnes (Chastre), Sint-Gertrudisparochie
Doopakten 1668-1786, met op de titelpagina een tekening van een doopceremonie
Rijksarchief te Louvain-la-Neuve
Reg. 133 (1), p. 1A (register beginnend in 1668)

 

 

Op het einde van de 13de eeuw ontstonden de eerste parochieregisters. Pastoors noteerden de namen van diegenen die ze gedoopt hadden, in de echt verbonden hadden of begraven hadden. Dit gebeurde echter op eigen initiatief en zonder duidelijke richtlijnen. Dergelijke notities zijn dan ook zeer fragmentarisch.
In 1497 tijdens de synode van Alcala stelde de Kardinaal-aartsbisschop van Toledo, Franciscus Ximenes de Cisneros, de eerste regels voor de optekening van huwelijksakten voor.


Met het Concilie van Trente (1545-1563) kwamen er duidelijke richtlijnen voor de gehele Rooms-Katholieke Kerk met betrekking tot het optekenen van dopen en huwelijken. Het besluit om doopregisters bij te houden, kwam er op 11 november 1563. Zij dienden voornamelijk ter controle van de verwantschap van de echtelieden bij het sluiten van een huwelijk. Doopakten dienden dus naast de naam van de dopeling ook deze van de ouders en peter en meter te bevatten. Een gelijkaardig besluit werd genomen voor de optekening van de huwelijken.


Sommige pastoors hielden ervan hun parochieregisters te versieren met kleine tekeningen. De pastoor van de Sint-Gertrudisparochie van Chastre (Gentinnes) in Waals-Brabant maakte bij de optekening van de doopakten in 1668 een afbeelding van de ceremonie.

 

(BAPTISTE François, COENEN Annelies, VERACHTEN Lucie, Een bloemlezing uit de parochieregisters / Un florilège des registres paroissiaux, Brussel (Algemeen Rijksarchief), 2011, p. 7-8 en 16-17)

 

Parochieregister van Alle (Vresse-sur-Semois), Sint-Maurusparochie
Gemengde akten 1778-1797, met een beschrijving van de aanstelling en van de taken van een vroedvrouw
Rijksarchief te Namen
Reg. 8, p. 260-261, 263 (13 juli 1788)

 

 

 

Parochieregisters zijn niet alleen een onschatbare bron voor genealogen en demografen, ze zijn bovendien doorspekt met randinformatie over het wel en wee van de parochie, over veldslagen en rondtrekkende troepen, over hagel en wateroverlast, over de grote en kleine politiek, over volkslegendes en dorpsroddels…
Sommige pastoors spreidden hun talenten als dichter tentoon, anderen legden zich toe op het bedenken van anagrammen of het optekenen van recepten en geneeskrachtige bereidingen.


Deze soms omvangrijke 'kanttekeningen' zijn zeer gevarieerd en de informatie die ze bevatten vaak onbekend.


Op 13 juli 1788 organiseerde de Sint-Maurusparochie te Alle-sur-Semois een stemming voor de aanstelling van een vroedvrouw. De pastoor tekende in het parochieregister het resultaat van deze verkiezing op. Uitzonderlijk is dat hij ook de officiële tekst betreffende de selectie en de werkomstandigheden van de toekomstige vroedvrouw noteerde. Deze passage onderstreept de belangrijke rol die deze vrouwen in de maatschappij invulden en de democratische omkadering van de verkiezing, met enkel een vrouwelijk kiezerspubliek. Daarnaast werd er in deze tekst ook aandacht besteed aan haar technische vaardigheden en kennis. Zij had ook een spirituele taak. De verloskundige moest na de bevalling de pastoor verwittigen, zodat deze het kind kon dopen. Bij de geboorte van een onwettig kind, moest de beëdigde vroedvrouw proberen de naam van de vader te vernemen en deze aan de pastoor meedelen.


(BAPTISTE François, COENEN Annelies, VERACHTEN Lucie, Een bloemlezing uit de parochieregisters / Un florilège des registres paroissiaux, Brussel (Algemeen Rijksarchief), 2011, p. 3 en 64-65)

 

Parochieregister van Opheers (Heers), parochie Sint-Lambertus
Doopakten 1788-1799, met een beschrijving van de uitvoering van een keizersnede
Rijksarchief te Hasselt
Reg. 682, p. 259 (20 juni 1796)

 

 

De optekening van overlijdens en begrafenissen werd niet opgelegd door de bepalingen van het Concilie van Trente. In de praktijk werden ze soms genoteerd in de kerkrekeningen, veelal echter zonder exacte datum. De verplichting om overlijdens te noteren kwam er in het Eeuwig Edict van 1611.
De Brugse bisschop Nicolaas de Haudion schreef in 1644 voor ook overlijdens van kinderen te noteren. In de edicten van 1754 en 1778 werden de verplichte vermeldingen vastgelegd: dag en uur van overlijden, naam, voornamen en het beroep van de overledene. Gezien de registratie door de pastoor gebeurde, werden veelal de begrafenissen genoteerd. Dit had voor gevolg dat allen die geen kerkelijke begrafenis kregen zoals bij voorbeeld ketters of zelfmoordenaars, niet opgenomen werden in de registers.


De pastoor van Opheers, J. Schoenmaeckers, noteerde op 20 juni 1796 de keizersnede op een overleden vrouw. De baby van zes maanden werd gedoopt en leefde nog 2 uur alvorens de moeder te vervoegen in het hiernamaals. Bevallen was vroeger een levensgevaarlijke 'klus'. In vergelijking met vandaag waren de omstandigheden aanzienlijk anders en de overlevingskansen beduidend lager. Keizersneden werden niet of nauwelijks uitgevoerd. Wanneer dit toch het geval was, eindigde dit meestal met de dood van moeder en/of kind. Tussen 715 en 673 v.C. vaardigde de Romeinse koning Numa Pompilius de 'Lex Regia' (in het keizerrijk omgedoopt tot de 'Lex Caesarea') uit. Het uitvoeren van een keizersnede werd hierdoor verplicht wanneer de vrouw overleed tijdens de zwangerschap. Het redden van het kindje was de voornaamste reden. Deze plicht werd door het christendom overgenomen, onder ander om het kindje te kunnen dopen en zo geen zieltje verloren te laten gaan. De eerste vermelding van een moeder die een keizersnede overleefde, dateert van 1500 in het Zwitserse Siegershausen. Jakob Nufer, een varkenscastreerder, zou de operatie op zijn echtgenote, na langdurige barensnood, uitgevoerd hebben.


(BAPTISTE François, COENEN Annelies, VERACHTEN Lucie, Een bloemlezing uit de parochieregisters / Un florilège des registres paroissiaux, Brussel (Algemeen Rijksarchief), 2011, p. 12 en 108-109)

 

Burgerlijke stand van Brussel
Geboorteakte van Albert Leopold Clemens Marie Meinrad, prins van België, hertog van Saksen, prins van Saksen-Coburg-Gotha, de latere koning Albert, 9 april 1875
Rijksarchief te Brussel (Vorst)
102979 / 0_0005, 1874-1875, folio 17 (n° 1796 - 9 april 1875)

 

 

 

Geauthentificeerd afschrift van de geboorteakte van Albert Leopold Clemens Marie Meinrad, prins van België, hertog van Saksen, prins van Saksen-Coburg-Gotha, 9 april 1875
Brussel, Koninklijk Paleis

 

 

 

Na de Franse Revolutie werd bij de Franse wet van 20-25 september 1792 de burgerlijke stand vastgelegd. Na de annexatie van de Zuidelijke Nederlanden door Frankrijk werd bij decreet van 17 juni 1796 ook in de Belgische departementen de burgerlijke stand ingevoerd. Tijdens de Hollandse periode bleven de akten bestaan en werd de organisatie ervan definitief uitgestippeld. Na de Belgische onafhankelijkheid werd de verplichting om geboorte-, huwelijks- en overlijdensakten op te stellen, opgenomen in de grondwet. Telkens werden twee exemplaren bijgehouden om verlies of vernietiging te voorkomen: een exemplaar voor de gemeentelijke administratie zelf, en een voor de griffie van de rechtbank van eerste aanleg.

 

Ook de geboortes, huwelijken en overlijdens van de leden van de Koninklijke familie werden opgetekend in het register van de burgerlijke stand van de gemeente waar de gebeurtenis plaatsvond. Over deze kwestie was discussie geweest bij het begin van de grondwettelijke monarchie, en men was tot de conclusie gekomen dat de leden van de koninklijke familie onder het Burgerlijk Wetboek vielen en dus in de gewone registers moesten worden ingeschreven. Daarnaast werd op het Koninklijk Paleis ook een kopie bewaard die was gewaarmerkt door de minister bevoegd voor de burgerlijke stand (Justitie).

 

In het register van burgerlijke stand van Brussel van 1875 werd op 9 april de geboorte geregistreerd van Albert Leopold Clemens Marie Meinrad, prins van België, hertog van Saksen, prins van Saksen-Coburg-Gotha. Hij was de dag voordien geboren als vijfde kind van Prins Philippe, Graaf van Vlaanderen en broer van Leopold II, en van Prinses Marie van Hohenzollern-Sigmaringen, en zal in 1909 de derde koning der Belgen worden. Bij zijn geboorte was hij evenwel niet voorbestemd om koning Leopold II op te volgen. Hij werd niet geboren in het Kasteel van Laken, maar in het Paleis van de Graaf van Vlaanderen in de Brusselse Regentschapsstraat (nu het Rekenhof). Met andere woorden: zijn geboorteakte is terug te vinden in de burgerlijke stand van Brussel, niet in die van Laken. De geboorteakte is ook veel soberder dan van wie wel als troonopvolger in de wieg werd gelegd. Dat valt vooral op door het gebrek aan decoraties op het geauthentificeerde afschrift van de akte bewaard op het Koninklijk Paleis.

 


Copyright © 2020 BELSPO