KBR

 

KBR is de nationale wetenschappelijke bibliotheek en verzamelt alle Belgische publicaties. Ze bewaart, beheert en bestudeert meer dan 8 miljoen documenten, een rijk cultureel en historisch erfgoed.

KBR geeft toegang tot de informatie die ze bewaart, faciliteert onderzoek en biedt een brede culturele beleving aan. KBR wil mensen en kennis samenbrengen en deelt haar erfgoed met de wereld

 

De kiem van de KBR-collectie

 

De basis van de collectie van KBR gaat terug tot in de 15de eeuw: de hertogen van Bourgondië brachten toen een unieke verzameling verluchte handschriften samen. Die 'Librije van de Bourgondische hertogen' telde bij de dood van Filips de Goede ca. 900 manuscripten, waarvan een derde vandaag nog in KBR bewaard wordt. Op de kruising van middeleeuwen en de moderne tijd bestrijkt deze "librije" alle domeinen van de wetenschap en bevat ze zeer belangrijke teksten uit de middeleeuwse literatuur. Ze behoort tot de grootste bibliotheken van haar tijd.

Deze hertogelijke bibliotheek vormt de kern van de huidige nationale bibliotheek van België. Vanaf 18 september 2020 ontdekt u deze unieke collectie handschriften en hun geschiedenis in het KBR museum.

 

KBR museum Geschiedenis van KBR Collecties die KBR bewaart Agenda

 

 


Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN)

 

De geboorte van een Instituut en z'n Museum

Het verhaal van het KBIN begint in 1846, meer bepaald op 31 maart, dag waarop de nog jonge Belgische staat officieel het Koninklijk Natuurhistorische Museum oprichtte. Het was pas een eeuw later, in 1948, dat we onze huidige naam kregen, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen. Reden daarvoor was dat we vanaf de oprichting in 1846 stilletjes aan evolueerden van louter een bewaarplaats voor natuurhistorische objecten naar een organisatie waar natuurwetenschappelijk onderzoek werd gedaan. Deze kentering werd versneld met de aanstelling van Edouard Dupont als nieuwe directeur in 1868.

 

Er is inderdaad een hele weg afgelegd sinds Karel Van Lotharingen, midden 18de eeuw, zijn eigen rariteitenkabinet aanlegde, zoals toen de mode was bij welgestelde amateurs die interesse hadden in de zoölogische, geologische en andere natuurwetenschappelijke ontdekkingen. Een fractie van zijn collectie was de basis van ons eerste collecties. Maar er is heel wat water onder de brug gestroomd sindsdien. Van louter bewaren en catalogeren gingen we inderdaad naar grondig wetenschappelijk onderzoek. Er werden meer en meer echte wetenschappers aangesteld, die werkelijk onderzoek voerden op de collectiestukken.

 

In de meer dan halve eeuw erna werd er meer en meer onderzoek gevoerd, en na de oorlog was er consensus dat de naam misschien niet voldoende de volledige lading dekte. Het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen werd geboren, met een organigram waarin vooral de wetenschappelijke onderzoeksdisciplines veel ruimte kregen. Dit waren de tijden waarin de rol van het Museum enigszins ondergeschikt werd aan de rol van de wetenschap in ons Instituut. Het Museum werd zelfs een beetje verwaarloosd en publiekswerking of educatieve activiteiten waren toch wel heel rare woorden. Gedurende de jaren 80 kwam hier verandering en op dit moment werken de verschillende wetenschappelijke departementen graag samen met de dienst Publiek voor het organiseren van tentoonstellingen of evenementen waarbij de rol en het belang van zowel onze collecties als onze wetenschappelijke missie hand in hand gaan.

 

Museum natuurwetenschappen


 

1900 - Werf voor het Janletgebouw, waar zich nu de Galerij van de Dinosauriërs bevindt en de Galerij van de Evolutie.

 



1900 - Binnenzicht van de grote zaal van het Janletgebouw, de huidige Galerij van de Dinosauriërs

 


+/- 1902 - Postkaart van de Iguanadons

 

 

+/- 1902 - Oude opstelling van de iguanadons

 

 

+/- 1937 - Constructie van het De Vestel-gebouw, achter het Kloostergebouw.

 



+/- 1902 - Museumopstelling

 

+/- 1880 – 1ste opstelling van de iguanadons

 

 

+/- 1902 – het bureau van een wetenschapper in het Janletgebouw

 

 

De oude Walvissenzaal

 

 

+/- 1902 – de Mammoet van Lier

 

 

Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie (BIRA)

 

De geboorte van een instituut


De geboorte van de aeronomie vindt zijn oorsprong op de avond van 4 oktober 1957, toen op de Sovjet-ambassade in Washington, waar een receptie werd gehouden voor leden van het comité van het Internationaal Geofysisch Jaar (IGY), verrassend nieuws werd aangekondigd: een Sovjet-satelliet was net in een baan om de Aarde gebracht. Het was een enorme verrassing over de hele wereld. Het nieuws van de lancering van Spoetnik-1 kondigde de start van het ruimtetijdperk aan.  De secretaris-generaal van dit IGY was niemand minder dan Baron Marcel Nicolet, oprichter en eerste directeur van het Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie, dat toen nog niet koninklijk was.

 

Deze wetenschap, de aeronomie, behoorde in België eerst tot een afdeling van het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (zelf ontsproten uit de Koninklijke Sterrenwacht van België). Op 25 november 1964 publiceerde het Belgisch Staatsblad een koninklijk besluit dat aankondigde dat "de afdeling Aeronomie van het Koninklijk Meteorologisch Instituut zou worden losgemaakt onder de naam Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie".
Het koninklijk oprichtingsdecreet benadrukt dat de belangrijkste missies van het Instituut bestaan uit openbare dienstverlening en onderzoeksopdrachten op het gebied van de ruimte-aeronomie, en dat deze missies kennis vereisen van gegevens die zijn verkregen met behulp van raketten en kunstmatige satellieten, in het kader van de fysica en chemie van de hogere atmosfeer en de ruimte buiten de atmosfeer.

 

Teneinde deze opdrachten te volbrengen is het instituut verantwoordelijk voor:

  • het verkrijgen en archiveren van informatie verkregen via raketten en kunstmatige satellieten;
  • het verstrekken van die informatie aan personen en organisaties die geïnteresseerd zijn in ruimtevaartproblematiek, en dus om documentatie op dit gebied samen te stellen; het onderzoeken van de toegepaste experimentele methoden, evenals het analyseren en interpreteren van de verworven waarnemingen;
  • het uitvoeren van het onderzoek dat nodig is voor de verbetering en toepassing van de berekeningsmethoden;
  • het volbrengen van alle bovengenoemde inspanningen met het oog op de uitvoering ervan binnen een nationaal of internationaal kader;
  • het ontwerpen en opzetten van de benodigde instrumentatie voor dit doel;


Vandaag heeft het Koninklijk Belgisch Instituut voor Ruimte-Aeronomie (BIRA) zijn onderzoeksveld uitgebreid en bestudeert het ook de atmosferen van andere hemellichamen in het zonnestelsel (dus niet enkel van de Aarde, maar ook van andere planeten zoals Venus, Mars, Jupiter en zelfs kometen) en de impact van de Zon, de natuur en de Mens op de atmosferische veranderingen. Het is het enige kenniscentrum in België dat over de nodige vaardigheden beschikt om alle elementen van een ruimtemissie te ontwikkelen, om een volledige studie van een aeronomisch probleem uit te voeren: de formulering van onderzoeksdoelstellingen, het ontwerp van het instrument en de daaruit voortvloeiende ruimtemissie, de afleiding van satellietgegevens, de validatie en de geofysische exploitatie van deze gegevens, met inbegrip van de modellering en de ontwikkeling van diensten. Al onze activiteiten hebben een gemeenschappelijk doel: het uitbreiden van onze kennis van de atmosferen van hemellichamen. Een betere kennis is essentieel om burgers en besluitvormers beter te informeren en om antwoorden te vinden op maatschappelijke uitdagingen met betrekking tot onze natuurlijke leefomgeving.


Het BIRA genereert hoogwaardige wetenschappelijke diensten en producten die voldoen aan de behoeften van de gebruikersgemeenschap in al haar onderzoeksgebieden. Diensten zoals waarschuwingen voor vulkanische emissies, analyses en voorspellingen van de globale luchtkwaliteit, het monitoren van de hoeveelheid ozon in de stratosfeer, voorspellingen van de UV-index van de zon, voorspellingen van geaccumuleerde stralingsdosissen, ruimteweerdiensten etc. zijn slechts enkele voorbeelden. Daarnaast verlenen BIRA-wetenschappers ook onderwijsdiensten aan middelbare scholen en universiteiten, en zijn ze betrokken bij de sensibilisering van de burgers.

 

Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK)

 

Het Koninklijk Instituut voor het Kunstpatrimonium (KIK) wijdt zich als federale wetenschappelijke instelling aan de studie, conservatie-restauratie en documentatie van ons rijk cultureel erfgoed. Wetenschappers uit tal van disciplines werken er sinds 1948 nauw samen om de historische gebouwen en kunstwerken in België met de beste zorgen te omringen.


De geschiedenis van het KIK begint eigenlijk al in 1900, het jaar waarin de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG) een fotostudio oprichten om hun eigen collecties op gevoelige plaat vast te leggen. Dat team van fotografen zal twintig jaar later ook kunstwerken uit andere verzamelingen inventariseren: de voorloper van de fototheek van het KIK is geboren! Die telt nu meer dan 1 miljoen foto's en is daarmee een van de grootste kunsthistorische databanken ter wereld (balat.kikirpa.be). 

 

balat.kikirpa.be


In 1934 komt alles in een stroomversnelling: de beroemde Egyptoloog Jean Capart, toen hoofdconservator van de KMKG, haalt de getalenteerde jonge chemicus Paul Coremans aan boord. Hij zal niet alleen de fotografische dienst leiden, maar ook een laboratorium oprichten om de museumstukken met de nieuwste chemische en fysische technieken te onderzoeken. Zo wordt duidelijk wat écht en wat vals is, in welke staat de werken zich bevinden, en hoe ze het best worden bewaard en behandeld. 


In de Tweede Wereldoorlog werken Coremans en zijn team onvermoeibaar om het bedreigde Belgische erfgoed in veiligheid te brengen of op foto te vereeuwigen. Als Monuments Man gaat hij zelfs op pad om geroofde kunstwerken op te sporen en terug naar België te brengen. 
Kort na de oorlog, in 1948, worden de laboratoria en fotografische dienst onder Paul Coremans' leiding samengesmolten tot een onafhankelijk instituut: het Centraal Iconografisch Archief van Nationale Kunst en Centraal Laboratorium der Belgische Musea (ACL). Deze instelling legt zich toe op de inventarisatie, studie en conservatie van kunstwerken in heel België. Wanneer het ACL in 1957 wordt omgedoopt tot KIK en voortaan onder de vlag van federale wetenschappelijke instelling vaart, krijgt Paul Coremans steeds meer bijval voor zijn multidisciplinaire aanpak. Die verenigt kunsthistorici, fotografen, chemici, fysici en restaurateurs als gelijken rond een gemeenschappelijk doel.


Zelf verwoordde hij het zo: "Esthetische, historische, wetenschappelijke en technische overwegingen zijn allemaal aspecten van hetzelfde probleem. In onze ogen zijn ze allemaal even belangrijk en dus moeten ze in gelijke mate bijdragen aan het uiteindelijke succes". Die benadering wordt vandaag algemeen erkend als sleutel tot succes. Met het KIK ontstond een pionier van de multidisciplinaire erfgoedzorg die later de blauwdruk zou vormen voor onderzoeksinstellingen overal ter wereld.

Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (KMI)

 

Het Koninklijk Besluit van 31 juli 1913 splitst de Koninklijke Sterrenwacht van België, gevestigd in Ukkel, in twee autonome instituten:

  • de Koninklijke Sterrenwacht van België (K.S.B.);
  • het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België (K.M.I.B.).

Jean Vincent wordt de eerste directeur van het Koninklijk Meteorologisch Instituut van België. Met uitzondering van de seismologie en de gravimetrie, die onder de bevoegdheid van de Sterrenwacht blijven, bevat de opdracht van het Koninklijk Meteorologisch Instituut alle disciplines die op dat ogenblik deel uitmaken van de meteorologie en de aardfysica. Het Koninklijk Besluit verschijnt in het Staatsblad van 31 augustus 1913.

 

De klassieke meteorologische waarnemingen zijn nochtans op 1 januari 1833 begonnen, die 4 keer per dag op vaste tijdstippen gebeuren. Dit maakt de klimatologische tijdreeksen van Brussel-Ukkel tot één van de meest langdurige klimaatreeksen wereldwijd.

 

België is daarmee het eerste land ter wereld, waar men zich officieel met de meteorologie gaat bezighouden.

 

(1) KMI in Ukkel, 1913     (2) Jean Vincent, eerste Directeur     (3) Eerste previsie, 1876     (4) KMI in Ukkel     (5) Thimister station, 1900

 

De volledige KMI-geschiedenis

Koninklijk Museum voor Midden-Afrika (KMMA)

 

Het AfricaMuseum


Het verhaal van het AfricaMuseum begint bij de wereldtentoonstelling van 1897 in Brussel. Op aansturen van koning Leopold II werd het koloniale luik van de tentoonstelling ondergebracht in wat vanaf dan het Koloniënpaleis werd genoemd (nu Afrikapaleis) in Tervuren. Onder meer opgezette dieren, bodemstalen, voedingsmiddelen, etnografische en artistieke voorwerpen uit Congo werden in de zalen ondergebracht, naast kunstwerken uit België. In 1898 werd de tijdelijke tentoonstelling omgevormd tot het eerste permanente museum in het teken van Congo. Leopold II zag het museum als uitgelezen promotiemiddel om investeerders en het Belgische volk van zijn koloniale plannen te overtuigen. Van meet af aan was de instelling zowel museum als wetenschappelijk instituut

 

Al vrij snel barstte het Koloniënpaleis uit zijn voegen. Leopold II schakelde Charles Girault – de architect van het Parijse Petit Palais – in voor een ambitieus bouwproject met naast het museum ook  plannen voor een 'Ecole Mondiale', een congrescentrum, een station, Chinese paviljoens en een sportcomplex. De winsten die hij maakte met rubber en ivoor uit Congo gebruikte hij onder andere voor de bouw van het museum. Toen omwille van onderzoeken naar geweld en omstandigheden van de exploitatie in Congo opstarten, viel die geldbron stil. De inrichting van het museum werd betaald door de Belgische staat.

 

Leopold II overleed nog voor het museum helemaal klaar was. Het was zijn opvolger, Albert I, die het museum op 30 april 1910 plechtig opende. Op 10 maart 1952 werd het museum bij koninklijk besluit omgedoopt tot Koninklijk Museum voor Belgisch-Kongo. 
Na de Congolese onafhankelijkheid kreeg het museum de naam Koninklijk Museum voor Midden-Afrika en werd het onderzoeksdomein uitgebreid. Het KMMA is nu actief in zowat 20 Afrikaanse landen, met Afrikaanse en andere binnen- en buitenlandse partners. Het zet programma's en projecten op waarbij wetenschappelijk onderzoek, duurzame ontwikkeling en samenwerking de rode draad vormen.

 

Het museum zelf onderging recent een grondige metamorfose. Eind 2018 heropende het volledig vernieuwde museum. Het bestaande museumgebouw, een beschermd monument, werd uitgebreid en gerestaureerd met respect voor de originele, eind 19e-eeuwse bouwplannen. Alle secundaire museumfuncties zijn uit de het vroegere museum weggehaald en onderbracht in een nieuwbouw van de Belgische architect Stéphane Beel. Daardoor ontstaat in het museumgebouw meer ruimte voor de nieuwe permanente tentoonstelling. Deze tentoonstelling focust op Midden-Afrika vanuit een hedendaags perspectief en stelt de mens centraal. Het museum is nu dé plek om ondergedompeld te worden in de rijke Afrikaanse geschiedenis, kunst, muziek, rituelen… Ook hot topics zoals het biodiversiteit, duurzame ontwikkeling en het koloniale verleden komen ruimschoots aan bod. Bovendien was bij de renovatie de integratie van hedendaagse kunst een belangrijk item.

 

Breng een virtueel bezoek aan de permanente tentoonstelling

 

 

Architect Charles Girault voor het museum in opbouw. HP.1968.10.6-82, collection RMCA Tervuren; photo from de archives of Charles Girault, Unidentified photographer, 1908-1910

 

 

Het volledig gerenoveerde museum, met nieuw onthaalpaviljoen Photo Jo Van de Vyver©RMCA

 

 

Een nieuw verhaal en een nieuwe scenogafie in de gerestaureerde museumzalen. Photo Jo Van de Vyver©RMCA

 

 

Tijdelijke tentoonstelling
"Carte noire" aan Freddy Tsimba.  De Aarde, mooier dan het Paradijs.
Najaar 2020 (precieze openingsdatum o.v.v. Corona maatregelen)

Voor zijn eerste tijdelijke tentoonstelling na de heropening nodigt het  AfricaMuseum de Kinois-kunstenaar Freddy Tsimba uit om in dialoog te treden met de collecties van het museum. Zijn vriend en gevierd schrijver Jean Bofane treedt op als tentoonstellingcommissaris.
In het totaal worden er een kleine honderd werken tentoongesteld, waarvan een tiental monumentale werken van Freddy Tsimba zelf. De tentoonstelling zal plaatsvinden in de nieuwe tentoonstellingsruimte van het AfricaMuseum en beslaat zo'n 900m2.

Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis (KMKG)

 

Ontstaansgeschiedenis van de collecties van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis

 

Begin van de verzameling

 

In 1835 werd in Brussel het «Musée d'armes anciennes, d'armures, d'objets d'art et de numismatique» opgericht «dans l'intérêt des études historiques et des arts». De collectie bestond aanvankelijk uit een van graaf de Hompesch aangekochte verzameling wapens en uit de restanten van het door graaf Antoon van Bourgondië in de 15de eeuw opgerichte Koninklijk Arsenaal. De collectie van het Arsenaal bestaande uit verschillende tientallen wapens, wapenuitrustingen en enkele curiositeiten genoot een grote faam, wat onder meer blijkt uit het bezoek van Albrecht Dürer tijdens diens verblijf in Brussel in 1520. Na de Slag bij Fleurus in 1794 werden de waardevolste stukken door de Oostenrijkers naar Wenen overgebracht. Brussel behield de wieg van Karel V, de opgezette paarden van de aartshertogen en enkele fragmenten van wapenuitrustingen.

 

In 1837 werd de artilleriecollectie van het Ministerie van Oorlog aan het museum toegevoegd en werd het geheel ondergebracht in een grote zaal op de benedenverdieping van het «Palais d'Industrie», waar op de eerste verdieping de pas gecreëerde Koninklijke Bibliotheek was gehuisvest. De collecties van het nieuwe museum groeiden dankzij opgravingen en veelvuldige schenkingen in hoog tempo aan.

 

De Hallepoort


De Staat had ondertussen de Hallepoort van de stad Brussel aangekocht, de enige resterende stadspoort van de oude omwalling van Brussel die tussen 1818 en 1840 werd gesloopt om plaats te ruimen voor de lanen van de kleine ring, en die gebruikt werd als gevangenis. Men voerde er de nodige restauratiewerken om er de collecties van het museum naar over te kunnen brengen. Het museum verwierf op 25 maart 1847 bij koninklijk besluit, de naam «Musée royal d'Armures, d'Antiquités et d'Artillerie» en was gratis geopend voor het publiek op zon- en feestdagen, en alle dagen voor kunstenaars, voor personen die de collecties voor hun studies wensten te raadplegen en voor buitenlanders.

De collecties van het museum waren ondertussen sterk aangegroeid. Naast de stukken afkomstig van opgravingen, bestonden de aanwinsten van het museum voornamelijk uit wapens en religieuze stukken die door kerkfabrieken werden verkocht. De amateur-archeoloog en politicus Gustave Hagemans stond in 1861 voor een bescheiden som zijn collectie van verschillende honderden oudheidkundige, middeleeuwse en renaissance- stukken aan het museum af. Minder dan twee jaar later kwam de Staat in het bezit van 77 Griekse en Etruskische vazen, afkomstig uit de beroemde collectie van de Italiaanse markies Campana. Dokter Conrad Helfrich-Couvreur schonk in 1864 zijn verzameling van 200 uit Borneo afkomstig stukken. Tot slot legateerde de verzamelaar Emile de Meester de Ravestein in 1874 zijn volledige collectie oudheidkundige stukken aan het Hallepoortmuseum.

 

Een museum in het Jubelpark


In de loop van de jaren 1870 kreeg het project vorm om in België een museum van decoratieve en industriële kunsten op te richten naar het voorbeeld van het South Kensington Museum (het huidige Victoria and Albert Museum) in Londen, bedoeld om kunstenaars te vormen en de «goede smaak» van het publiek te ontwikkelen. In die geest werd de «Commission royale belge des Echanges internationaux» in 1871 opgericht. Deze commissie zou deelnemen aan een internationaal ruilnetwerk van afgietselcollecties, met het doel om in elk deelnemend land een soort «ideaal» museum op te richten, dat representatief zou zijn voor de geschiedenis van de schone kunsten en de decoratieve kunsten. De afgietselcollectie van deze commissie, dat doorgaans het «Musée des Échanges» werd genoemd, werd bij de aanvang van de jaren 1880 overgeheveld naar de noordvleugel van het paleis dat op het oude oefenterrein van de burgerwacht in Etterbeek,  was opgetrokken naar aanleiding van de feestelijkheden van de vijftigste verjaardag van de Belgische natie. Voor de nationale tentoonstelling van 1880 had de architect Bordiau er immers een project gerealiseerd met twee tentoonstellings- paviljoenen, die met elkaar verbonden waren door een open halfronde colonnade, in het midden gedomineerd door een triomfboog.

 

In 1889 viel de beslissing om ook de oudheidkundige collecties van het Hallepoortmuseum naar het Jubelparkcomplex over te hevelen om er de «Musées royaux des Arts décoratifs et industriels» te vormen en er ook een etnografisch museum op te richten. De oudheidkundige stukken werden ondergebracht in de booggalerij van de noordvleugel, terwijl het grote paviljoen werd gewijd aan de afgietselcollectie van de artistieke commissie, waaraan de plaasteren reproducties van het Museum voor Schone Kunsten, die voordien op de benedenverdieping van het Academiënpaleis werden tentoongesteld, werden toegevoegd.

Het op die wijze gecreëerde geheel werd onderverdeeld in vier afdelingen: de oude kunstnijverheden (oudheidkundige stukken), hedendaagse types en modellen (moderne kunstnijverheden), reproducties van monumentale en industriële meesterwerken (afgietsels en foto's) en specimen van decoratieve schilderkunst (kartons, tekeningen, schetsen). Met het doel een didactisch museum te vormen, met stukken die gekozen waren op basis van hun schoonheid en die konden dienen
als modellen voor industriëlen en kunstenaars, opende het museum in de periode
ook de deuren voor buitenlandse kunstwerken. Deze zouden de etnografische afdeling, die zich nog steeds op de derde verdieping van het «Musée d'armes et d'armures» in de Hallepoort bevond, verrijken.

 

Tijdens de eeuwwisseling kende het patrimonium van het museum een aanzienlijke aangroei. Eerst en vooral dankzij de schenkingen en legaten van privéverzamelaars. Er werden ook aankopen verricht, zoals bv. van de collectie Japanse gravures en kunstobjecten van Edmond Michotte, in 1905. Tot slot leverden opgravingen en zendingen in België en het buitenland talrijke stukken op.

In 1911 verscheen een nieuw koninklijk besluit, dat de naam van de musea in "Musées royaux du Cinquantenaire – Koninklijke Musea van het Jubelpark ». De stukken werden onderverdeeld in vier verschillende afdelingen, die op hun beurt in een bepaald aantal onderafdelingen onderverdeeld konden worden. De collectie wapens en wapenuitrustingen die sinds 1889 het "Musée d'armes et armures" in de Hallepoort had gevormd, werd opnieuw in de instelling geïntegreerd in de vorm van de nieuwe en vijfde afdeling.

 

De eerste afdeling omvatte de oudheid: oosterse en mediterrane stukken, Griekse en Romeinse stukken, christelijke stukken, stukken uit België van de oudste tijden tot het einde van de Frankische periode. De tweede omvatte de kunstnijverheden. De derde groepeerde de reproducties van meesterwerken van plastische kunsten, afgietsels, kartonnen, schetsen, kopieën, enz. met uitzondering van de foto's, die door de bibliotheek bewaard zouden worden. De vierde, de folkloristische en etnografische collecties, met uitzondering van deze afkomstig uit Belgisch Congo, waarvoor in 1898 in Tervuren een museum was gecreëerd. De vijfde, de wapens en wapenuitrustingen.

 

De Eerste Wereldoorlog zou de museumactiviteiten ruw onderbreken. Vanaf de eerste dagen van augustus 1914 werden de musea voor het publiek gesloten omdat de mobilisatie ongeveer een derde van het bewakingspersoneel opeiste. De breekbaarste en waardevolste stukken, in het bijzonder de collecties Delfts en Doorniks porselein, weefsels en borduursels en Grieks- Romeinse keramiek, werden opgeslagen in de kelders, terwijl de Egyptische, Voor-Aziatische en oude Belgische stukken op hun plaats bleven. In januari 1915 diende de musea op bevel van Otto von Falke, de directeur van het Kunstgewerbemuseum in Berlijn, hun deuren te heropenen en opnieuw een deel van hun collecties kunstnijverheden in de noordelijke vleugel tentoon te stellen.

Na de oorlog werd prioriteit geschonken aan de installatie van de collecties kunstnijverheden in de gebouwen aan de Nerviërslaan. Na afloop van de grote tijdelijke Frans-Belgische mode- tentoonstelling van 1922, die de voltooiing van de lokalen mogelijk maakte, werden op de eerste verdieping in een reeks chronologisch geordende zalen - van de gotische periode tot de 18de eeuw - opmerkelijke ensembles geplaatst, met meubels, wandtapijten, glasramen, beelden en zilverwerk. De verzameling steensculptuur werd ondergebracht in een in gotische stijl  gebouwde kloostergang, terwijl een in dezelfde stijl opgetrokken kapel het liturgisch meubilair en het religieus beeldhouwwerk herbergde. Nog andere zalen werden aan het meubilair gewijd. Hetzelfde principe werd op de bovenste verdieping toegepast voor de aardewerkcollecties, met enerzijds de topstukken en anderzijds het documentair repertorium. Het departement Oud België, van de prehistorie tot de Frankische periode, werd op de benedenverdieping geïnstalleerd.

 

De beperking van de beschikbare kredieten zette vaak een rem op de aankopen van het museum. De collecties konden desalniettemin nog aangroeien dankzij opgravingen, de gulheid van mecenassen en de hulp van het Eigen Vermogen van de musea en van de vzw «Vrienden van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis - Amis des Musées royaux d'Art et d'Histoire», opgericht in 1974 om  de  activiteiten  van  het  museum  te  kunnen  ondersteunen.

Verder dient ook de transactie uit 1967 met het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren vermeld te worden, die de musea de kans bood eigenaar te worden van de Art Nouveau meubels en kunstvoorwerpen die voor de Koloniale Tentoonstelling van 1897 vervaardigd waren, in ruil voor 9.500 Amerikaanse en Oceanische etnografische stukken, afkomstig van de musea in het Jubelpark. Enkele jaren later vond in 1978 een tweede overdracht van Afrikaanse en Melanesische stukken plaats van de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis naar het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, met de bedoeling de onderzoeksdomeinen en de organisatie van de beide instellingen te rationaliseren.

 

Horta-Lambeaux Paviljoen


Het Horta-Lambeaux Paviljoen gelegen in het Jubelpark werd ontworpen door de architect Victor Horta in opdracht van de Belgische staat om het reliëf van de Menselijke Driften van beeldhouwer Jef Lambeaux uit het einde van de 19de eeuw te herbergen. In 1911 werd het paviljoen overgedragen aan de administratie Schone Kunsten.

 

De musea van het Verre Oosten in Laken


Vanaf de jaren 1920 werden de Koninklijke Musea van het Jubelpark ook belast met het beheer van de Japanse Toren en het Chinees Paviljoen, twee onder impuls van Leopold II in Laken gerealiseerde gebouwen, die respectievelijk uit 1901 en 1903 dateren. Na de eerste Wereldoorlog en de sluiting die door de bezetter was opgelegd in het kader van de opeising van het koninklijk paleis en domein, werden de beide gebouwen overgeheveld naar het Ministerie van Wetenschappen en Kunsten en werden hun collecties er volledig weggehaald. De Koninklijke Musea van het Jubelpark vervingen deze door een klein onderdeel van hun Chinese en Japanse collecties en meubels.

Bellevuemuseum


Het Bellevuemuseum werd in 1978 ingewijd. Dit herenhuis vormt een onderdeel van het grote gebouwencomplex van het Koninklijk Paleis en werd ontworpen als een woning waar stukken en kunstwerken bewonderd konden worden, die het leven van de gegoede kringen uit de 18de en 19de eeuw evoqueerden.

 

Het Muziekinstrumentenmuseum


Een belangrijke gebeurtenis was zonder twijfel de definitieve aanhechting van het muziekinstrumentenmuseum van het Brussels Muziekconservatorium aan de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis. In juni 2000 vond de opening van het nieuwe Muziekinstrumentenmuseum (MIM) plaats in de gebouwen van de voormalige winkel Old England gelegen aan het Koningsplein.

Naar een tekst van Valérie Montens, 2008

 

 

 

 

 

 

 

 

Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB)

 

Een prestigieuze verzameling van 20.000 kunstwerken

 

De Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België (KMSKB), opgericht door Napoleon Bonaparte in 1801, huizen de belangrijkste verzameling beeldende kunsten van het land. 20.000 werken en 6 musea vertellen onze Geschiedenis, van de 15e tot de 21e eeuw, aan de hand van schilderijen, beeldhouwwerken en tekeningen.

 

De geschiedenis van de KMSKB begint met Napoleon Bonaparte die in 1801 een departementaal museum onderbrengt in het vroegere paleis van Karel van Lotharingen in Brussel. De werken worden daarna verplaatst naar het huidige gebouw, ontworpen in 1880 door Alphonse Balat, de bekende architect van de Lakense Koninklijke Serres. Verschillende uitbreidingen en aanpassingen volgen zich stapsgewijs op, waarvan de belangrijkste fases de inbezitneming van de hotels Altenloh, Argenteau en Gresham, de inhuldiging in 1974 van 53 nieuwe zalen en de opening in 1984 van een ondergronds museum voor Moderne Kunst zijn. In 1992 wordt de sculpturentuin ingehuldigd. Later openen ook het Magritte Museum (2009) en het Fin-de-Siècle Museum (2013) hun deuren.

 

Dankzij uitzonderlijke werken die de grote mijlpalen van het verleden doen herleven, vertelt het Old Masters Museum 400 jaar geschiedenis van de 15e tot 18e eeuw. De tweede grootste collectie ter wereld van Bruegel de Oude en zijn recente onderdompeling in de virtuele wereld noemen het hun thuis. Ook de beroemde verzamelingen werken van Rubens of Jordaens, de zeldzame parels van grote kunstenaars zoals Van der Weyden, Bouts, Memling of Bosch en de klassiekers van Van Dyck vallen er te ontdekken.

 

Van David tot Panamarenko, Alechinsky, Dalí of Fabre: de collectie moderne en hedendaagse kunst (eind 18e eeuw tot nu) verwelkomt de bezoeker in drie verschillende en multidisciplinaire werelden: het surrealisme van Magritte, de sfeer van het Fin-de-Siècle en de post-1914 collectie. Dit derde oord neemt momenteel de gedaante aan van tijdelijke tentoonstellingen. Deze thematische ophangingen zorgen voor een regelmatige afwisseling van de werken in afwachting van een nieuw, ambitieus oord.

 

Het Magritte Museum is de belangrijkste verzameling van de befaamde Belgische artiest, René Magritte: 230 werken en archieven worden er getoond. Een internationaal erkende surrealistische 'must see' die elk publiek blijft fascineren. De multidisciplinaire ruimte brengt niet alleen schilderijen, gouaches, tekeningen, beeldhouw-werken en geschilderde objecten samen, maar ook reclamecampagnes, muziekpartituren, foto's en films.

Ensor, Khnopff, Spilliaert, Horta, Rodin, Gauguin, Mucha, Bonnard, … : meer dan 30 grote kunstenaars zijn vertegenwoordigd in het Fin-de-Siècle Museum!

 

Tussen 1868 en 1914 blonk Brussel uit als een van de culturele trefpunten van Europa met haar tentoonstellingen, kunstbewegingen, literaire salons, … In het Fin-de-Siècle Museum duikt de bezoeker in het hart van deze bruisende omgeving en ontdekt hij een waaier aan kunststromingen en disciplines: van impressionisme tot Art Nouveau, van schone kunsten tot opera.

 

Extra muros gesitueerd t.o.v. de centrale hoofdligging van de KMSKB, vullen de Antoine Wiertz en Constantin Meunier Musea de volledigheid van de museale instelling aan en ontvangen ze de bezoeker in twee authentieke Belgische woning-ateliers. Wiertz dompelt de toeschouwer onder in een turbulente wereld, vol romantiek en horror, terwijl Meunier een hoofdgetuige is van het sociale en industriële leven in het 19e-eeuwse België.


 

Museum voor Schone Kunsten. Uitzicht op de Regentschapsstraat, Ed. Simon, n.d. Archief van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, FM VII 245.

 

 

Museum voor Schone Kunsten. Binnenaanzicht (Forum), Ed. Nels, 1907. Archief van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, FM VII 37.

 

 

Koninklijke Sterrenwacht van België (KSB)

 

De Koninklijke Sterrenwacht van België (KSB) is als wetenschappelijke instelling internationaal vermaard voor het wetenschappelijk onderzoek van de planeet aarde en andere nabije of verre hemellichamen in het Heelal. De voornaamste pijlers van het onderzoek op de Sterrenwacht zijn astronomie, astrofysica, planetologie, geofysica, seismologie, gravimetrie, ruimtegeodesie, en zonnefysica.

 

Daarnaast staat de Sterrenwacht ten dienste van de burger, de overheid, de wetenschappelijke gemeenschap en de hele maatschappij voor expertise binnen de domeinen di deel uitmaken van de opdrachten van de KSB, en die gebouwd zijn op de resultaten die door de onderzoekers van de KSB zijn verkregen.

 

Deze dienstverlenende activiteiten omvatten onder meer de tijdsdienst, het beheer van het Belgische seismologische netwerk, de integratie van het Belgische GNSS-netwerk (Global Navigation Satellite Systems, zoals GPS en Galileo), in internationale referentiesystemen, het uitvoeren van gravimetrische metingen, het continu observeren van de zonneactiviteit, het voorspellen van het ruimteweer, en het verspreiden van informatie over astronomische fenomenen.

 

De Koninklijke Sterrenwacht van België beheert ook het Planetarium op de Heizel, een magische plek. Het publiek kan er de sterrenhemel bekijken die natuurgetrouw wordt geprojecteerd op de grote koepel (met een diameter van meer dan 23 meter, een van de grootste van Europa). De wetenschappelijke thema's waarmee de Federale Instellingen van het plateau van Ukkel vertrouwd zijn worden er voorgesteld in meeslepende audiovisuelle voorstellingen, voordrachten en in tentoonstellingen.

 

Samen met de 9 andere Federale Wetenschappelijke Instellingen maakt de KSB deel uit van de POD Wetenschapsbeleid (BELSPO).

 

Geschiedenis van het instituut

 

Stichting en eerste waarnemingen

 

De geschiedenis van de Koninklijke Sterrenwacht van België begon toen Adolphe Quetelet (1796–1874) voorstelde om in de zuidelijke Nederlanden, een gebied dat overeenkomt met het huidige België, een sterrenwacht op te richten. De Sterrenwacht van Brussel werd officieel opgericht op 8 juni 1826. Het eerste gebouw werd opgetrokken in de buurt van de Schaarbeekse Poort in Sint-Joost-ten-Node. De bouw werd echter verstoord door de Belgische Revolutie in 1830. Na de troonsbestijging van Leopold I in 1831 ging Quetelet verder met de inrichting van het gebouw en de aankoop van de instrumenten en begon hij officieel met zijn astronomische en meteorologische waarnemingen in 1833.

 

 


De Sterrenwacht te Sint-Joost-ten-Node kreeg een muurcirkel van Troughton & Simms en twee precisiehorloges. Onder de vele verwezenlijkingen die dankzij deze instrumenten tot stand kwamen, vinden we de bepaling van de coördinaten van de Sterrenwacht en het verschil in lengte tussen de sterrenwachten van Brussel en Greenwich, alsook de waarnemingen van sterbedekkingen door de maan en deze van de overgangen van Mercurius voor de Zon.
Het was ook in de Sterrenwacht van Sint-Joost dat de nul-meridiaan en het geodetische referentiepunt voor de stafkaarten van het Belgische leger werden vastgelegd. In 1839 werd de Sterrenwacht officieel erkend door de Koning en kreeg ze de naam "Koninklijke Sterrenwacht van Brussel".

 

 

 

Laatste jaren van Adolphe Quetelet

 

Adolphe Quetelet kreeg in 1855 een beroerte. Vanwege zijn gezondheidstoestand delegeerde hij daarna veel van zijn administratieve taken aan zijn zoon Ernest Quetelet (1825-1878).

Vanaf 1857 begonnen de onderzoekers een sterrencatalogus op te stellen. Het hoofddoel was het bepalen van nauwkeuriger eigenbewegingen van sterren. Men startte ook met onderzoek op het gebied van meteorologie en geofysica. Van 28 augustus tot 2 september 1859 sloeg een reeks zonne-uitbarstingen, later het Carrington-event genoemd, toe op de aarde en verstoorde de telegraafcommunicatie in die tijd ernstig. Adolphe Quetelet beschreef dit evenement in het Jaarboek van de Koninklijke Sterrenwacht van Brussel van 1860.


Adolphe Quetelet stierf in 1874. Zijn zoon Ernest werd directeur ad interim tot een opvolger werd benoemd.

 

 

 

Opvolging van Jean-Charles Houzeau de Lehaie

 

Vanaf 1876, en dit onder de leiding van Jean-Charles Houzeau de Lehaie (1820–1888), de opvolger van Quetelet, ontwikkelde de Sterrenwacht zich verder dankzij de aanschaf van nieuw materiaal. Tegelijkertijd onderzocht en koos hij een nieuwe locatie voor de Sterrenwacht in Ukkel om het instituut uit te breiden en weg te halen van de lichtvervuiling in het centrum van Brussel, dit onder impuls van de koning Leopold II.

 

De nieuwe directeur richtte een spectroscopische afdeling op en legde de basis voor het nationaal klimatologisch netwerk. Rond diezelfde periode werd de eerste Belgische astronomische expeditie georganiseerd. Deze expeditie bood de mogelijkheid aan twee groepen onderzoekers om in Santiago de Chile en in Texas de overgang van Venus voor de Zon waar te nemen.

 

Houzeau nam in 1883 ontslag. Een commissie van bestuurders nam zijn taken over in afwachting van de benoeming van een opvolger.

 

 

Verhuizing van de Sterrenwacht

 

In 1890 verhuisde de Sterrenwacht van Sint-Joost-ten-Noode naar Ukkel. Het overbrengen van de instrumenten gebeurde onder de leiding van François Folie (1833–1905), directeur sinds 1885. Sindsdien draagt het instituut de titel "Koninklijke Sterrenwacht van België". Bij deze verhuis werd ook de nulmeridiaan van België officieel verlegd.

 

De site van de Sterrenwacht in Ukkel in 1925

 

 

Koninklijke Sterrenwacht van België De briefwisseling van Adolphe Quetelet


Rijksarchief in België (ARA)

 

Ontstaan en geschiedenis van het Rijksarchief in België


De oprichting van het Belgisch Rijksarchief wordt officieel gesitueerd in 1796: de wet van 5 brumaire jaar V (26 oktober 1796) bepaalde dat archiefstukken van instellingen en administraties uit het "ancient régime" die waren afgeschaft onder het Frans bewind, moesten bijeengebracht worden in de hoofdplaats van elk nieuw opgericht departement.


Archiefinitiatieven in de 18de eeuw

Toch waren al eerder, in de Oostenrijkse periode, initiatieven genomen die erop wezen dat de bewindvoerders het belang inzagen van een gecentraliseerde bewaring en beheer van overheidsdocumenten die geen nut meer hadden voor de instellingen die ze hadden gecreëerd. In 1739 droeg keizer Karel VI de Audiëntie in Brussel op om een overzicht op te stellen van alle bestaande archieven in de Zuidelijke Nederlanden; zijn opvolgster, keizerin Maria-Theresia, liet deze opdracht verderzetten.

Gevolmachtigd minister Cobenzl, de vertegenwoordiger van de keizerin in de Nederlanden, zou ook concretere initiatieven nemen. In 1755 kregen twee vooraanstaande juristen, Jean-Baptiste de Wynants en zijn oom Henri-Guillaume de Wynants, de opdracht om orde te brengen in de archieven van enkele centrale instellingen die tijdens de Oostenrijkse Successieoorlog in wanorde waren geraakt. Deze taak kaderde in de voorbereiding van de organisatie van "une archive générale".

Toch liet de oprichting van een dergelijke instelling nog tot 1773 op zich wachten. Op voorstel van gevolmachtigd minister de Starhemberg vaardigde Maria-Theresia – een jaar na de oprichting van de Koninklijke Academie en van de Koninklijke Bibliotheek – een keizerlijke depêche uit die het "Bureau des Archives" in het leven riep. Jean-Baptiste de Wynants werd benoemd tot "algemeen directeur van het Archiefbureau van de Oostenrijkse Nederlanden", de eerste algemeen rijksarchivaris dus. De commiezen die voor het Archiefbureau werkten, waren zeer mobiel: ze moesten zich hoofdzakelijk verplaatsen naar de instellingen, waar de meeste archiefbestanden bewaard bleven.

Ook een centraal depot werd voorzien, voor documenten van afgeschafte instellingen en documenten ouder dan 100 jaar, die, mits toelating, voor historisch onderzoek zouden kunnen gebruikt worden. De documenten werden aanvankelijk bewaard in de kelders onder de kapel van het voormalige paleis van Brussel (Koudenberg), dat in 1731 was afgebrand. In 1779 werd gestart met de oprichting van een gebouw voor de kantoren van de Rekenkamer en voor de bewaring van het centrale overheidsarchief. De werken waren voltooid in 1783 en het archief werd een jaar later naar deze locatie overgebracht.

Maar nadien stagneerde de uitbouw van een openbaar archief. Onder Jozef II werd de klok zelfs teruggedraaid: hoewel het Archiefbureau bleef bestaan, moest het zich vanaf 1785 voornamelijk zo niet uitsluitend toeleggen op het kopiëren van regeringsdocumenten uit de Zuidelijke Nederlanden ten behoeve van Wenen. 1 Na de inval van de Franse troepen werd een groot deel van het centrale archief verhuisd naar Oostenrijk.


Een archiefbestel naar Frans model

Met de annexatie van de Belgische gewesten bij Frankrijk op 1 oktober 1795 kwam de ommekeer. In 1796 werd, naar Frans model, de structuur van het Rijksarchief uitgetekend die we vandaag nog kennen: een centrale hoofdbewaarplaats in Brussel en een bewaarplaats in elk department (nu provincie). In alle departementen behalve dat van de Twee Neten (de provincie Antwerpen) werden archiefbewaarplaatsen opgericht die vanaf 1800 onder het toezicht van de algemeen secretaris van de prefectuur werden geplaatst.


Door de staat betaalde archivarissen traden eerst aan in Brussel en Luik, vervolgens in Bergen en nadien ook in Gent. Eind 1814 werd Pierre-Jean L'Ortye aangeduid als 'archivarius' en belast met toezicht op en bewaring en beheer van alle centrale overheidsarchieven.


Belang van het Brussels centraal archief groeit

Onder het Koninkrijk der Nederlanden won Brussel aan belang als centrale archiefbewaarplaats.
Het Belgisch archief, dat werd bewaard in een gebouw van de Rekenkamer, werd evenwel ernstig bedreigd toen in december 1820 het paleis van de prins van Oranje in de vlammen opging. Het archief werd inderhaast gered door registers, dozen en bundels vanuit de ramen in het park van Brussel te gooien of ze onder te brengen in het Parktheater. Gelukkig gingen geen stukken verloren.


In 1822 verhuisde het centrale depot naar een vleugel van het Gerechtsgebouw (voormalig jezuïetenklooster) in de Strostraat te Brussel. Wegens plaatsgebrek en door het risico op brand werden voorbereidingen getroffen om het overheidsarchief over te brengen naar de Hallepoort, maar dit project werd opgeschort ten gevolge van de Belgische revolutie.


Van 1830 tot nu: verdere uitbouw en nadien inkrimping

Na de Belgische onafhankelijkheid werden Rijksarchieven opgericht in de provinciehoofdplaatsen waar dergelijke archiefdiensten nog niet bestonden: Brugge, Namen, Aarlen, Hasselt en als laatste Antwerpen in 1896.

 

Pierre-Jean L'Ortye werd in 1831 opgevolgd door de eerste echte 'algemeen rijksarchivaris', Louis-Prosper Gachard, sinds 1826 in dienst als adjunct van L'Ortye. Bij Koninklijk besluit van 17 december 1851 kwamen de Rijksarchieven in de provincies eveneens onder het gezag van de algemeen rijksarchivaris te staan. Gachard stond meer dan een halve eeuw aan het hoofd van het Belgische Rijksarchief, tot zijn dood op kerstavond 1885!

 

De Franse wet- en regelgeving bleef van kracht op het Belgische archiefwezen, tot in 1955 de Archiefwet werd gestemd. Deze beperkte Archiefwet werd pas in 2009 – na talloze vruchteloze pogingen tot wijziging – aangepast.
De toevloed aan bestanden ten gevolge van de Archiefwet uit 1955 maakte de uitbreiding van het aantal archiefbewaarplaatsen van het Rijksarchief onvermijdelijk. Na 1960 werden verspreid over enkele decennia elf nieuwe Rijksarchieven opgericht:

 

  • vier arrondissementele Rijksarchieven in Hoei, Kortrijk, Ronse en Doornik
  • drie hulparchieven in Saint-Hubert, Beveren en Brussel (Algemeen Rijksarchief 2 – depot Joseph Cuvelier)
  • het Rijksarchief te Eupen
  • de Rijksarchieven te Brussel, Leuven en Louvain-la-Neuve.

Om redenen van rationalisatie, efficiëntieverhoging en budgettaire voorzichtigheid werden begin 21ste eeuw de Rijksarchieven van Hoei, Ronse en Saint-Hubert opgeheven.

 

Begin 2016 werd het CegeSoma geïntegreerd in het Rijksarchief, twee jaar nadien de Dienst Archief Oorlogsslachtoffers. In 2017 verhuisde het Rijksarchief te Brussel van Anderlecht naar Vorst.

 

Vandaag beschikt het Rijksarchief in België over 19 archiefbewaarplaatsen/leeszalen. De geschiedenis van elk van deze Rijksarchieven is terug te vinden op onze website

 

19 archiefbewaarplaatsen/leeszalen www.arch.be

 

1 De voorgeschiedenis is gebaseerd op Tom VERSCHAFFEL, De hoed en de hond: geschiedschrijving in de Zuidelijke Nederlanden, 1715-1794, Hilversum (Uitgeverij Verloren), 1998, p. 164-166.


Belgian Co-ordinated Collections of Micro-organisms (BCCM)

 

La naissance du consortium et les débuts de son histoire

 

Les micro-organismes constituent une opportunité capitale pour la biotechnologie. Les propriétés des bactéries, levures, champignons ou diatomées sont utilisées dans de multiples applications: processus de fermentation et utilisation des probiotiques dans le secteur de l'alimentation, production d'antibiotiques dans le secteur médical, introduction de microorganismes pour favoriser la croissance dans l'agriculture, moyen auxiliaire pour la décontamination biologique des sites pollués, etc.
De plus, toutes les propriétés et les espèces microbiennes ne sont pas encore connues.


Les collections publiques constituent dès lors un véritable trésor de potentialités d'application, qui peut par exemple être découvert par des projets de screening

En 1983, le Conseil des ministres décidait de rassembler en un réseau des collections de cultures - microbiennes, champignons et bactéries - et l'expertise disponibles dans différents établissements belges: le consortium Belgian Coordinated Collections of Micro-organisms (BCCM) était né. Le Conseil des ministres souhaitait en effet créer une infrastructure performante et spécialisée pour soutenir les nombreux chercheurs, qu'ils soient issus du monde académique ou industriel, dans les domaines de la biotechnologie et des sciences de la vie auxquels la Belgique attache de l'importance.
A l'origine, le consortium BCCM se composait des collections vivantes de micro-organismes de deux universités et d'une institution scientifique publique:

  • la collection de champignons filamenteux et de levures de la Faculté des sciences agronomiques (aujourd'hui Faculté des bioingénieurs) de l'Université catholique de Louvain; BCCM/MUCL;
  • la collection de bactéries du laboratoire de Microbiologie de la Faculté des sciences de l'Université de Gand, BCCM/LMG;
  • la collection de levures et de champignons médicaux du laboratoire de mycologie de l'Institut scientifique de santé publique (aujourd'hui Sciensano), BCCM/IHEM.

Une cellule de coordination BCCM, BCCM/CC, a également été créée. Il est situé au sein du Service public fédéral de la politique scientifique et assure la coordination des collections sur le plan de la gestion de la qualité, de la technologie de l'information, de la communication interne et externe, de la coopération internationale et des affaires légales.

En 1990, la collection de plasmides du laboratoire de biologie moléculaire (aujourd'hui  le Département de biologie moléculaire biomédicale) de l'Université de Gand a rejoint le consortium (avant BCCM/LMBP ; aujourd'hui BCCM/GeneCorner).
En 2001, la collection GINCO (Glomeromycota in vitro collection) est intègre par BCCM/MUCL.
En 2011, trois autres collections de niche ont rallié le consortium BCCM :

  • la collection de diatomées du laboratoire de protistologie et d'écologie aquatique de l'Université de Gand, BCCM/DCG;
  • la collection de mycobactéries de l'unité de mycobactériologie de l'Institut de médecine tropicale d'Anvers, BCCM/ITM;
  • la collection de cyanobactéries du Centre d'Ingénierie des Protéines de l'Université de Liège, BCCM/ULC.

Aujourd'hui, BCCM s'est développé pour devenir l'un des plus importants consortiums de collections de cultures au monde, tant en quantité qu'au niveau de la qualité de ses collections (bactéries, levures, champignons, plasmides, diatomées, banques ADN) ou encore de son expertise. Les collections publiques de BCCM comptent plus de 280 000 ressources biologiques.

 

L'expertise scientifique de BCCM est rendue disponible sous diverses formes, qui vont de la prestation de service spécialisé aux projets de recherche scientifiques.
Il s'agit de services tels que la distribution de matériel microbien authentifié, la préservation à des fins privées de souches industrielles, l'identification de souches, la caractérisation génotypique des souches au moyen de techniques moléculaires, les dénombrements microbiens, les demandes de screening, etc.

 

Le BCCM accorde une grande importance à la qualité de sa prestation de service. Depuis 2005, le système de management qualité du consortium a reçu la certification selon la norme ISO 9001 en ce qui concerne l'acquisition, le contrôle, la conservation, le stockage et la distribution du matériel biologique et des informations y afférentes dans le cadre de dépôts publics, de dépôts de sécurité et de dépôts de brevets.

Le consortium BCCM fait partie de plusieurs initiatives internationales telles que l'Organisation européenne pour les collections culturelles (ECCO ; www.eccosite.org) et la Fédération mondiale des collections culturelles (WFCC).


En 1992, à l'initiative du Gouvernement belge, la World Intellectual Property Organization (WIPO) a reconnu au consortium BCCM le statut d'autorité de dépôt internationale selon le Traité de Budapest sur la reconnaissance internationale du dépôt des micro-organismes aux fins de la procédure en matière de brevets.

 

Dans le cadre de la Convention sur la diversité biologique, le consortium BCCM a fait office de pionnier dans le développement d'un code de conduite pour les collections de cultures microbiennes qui couvre tant l'accès aux ressources microbiennes génétiques que les possibilités de partage des avantages qui découlent de leur utilisation.


Au sein de BCCM, le matériel biologique est acquis et distribué dans le respect des législations et régulations internationales sur la protection de la biodiversité ainsi que des dispositions du protocole de Nagoya.

 

BCCM GREAT AT SMALL THINGS

 

WFCC BCCM Consortium BCCM

 

Cinematek

 

CINEMATEK, het Koninklijk Belgisch Filmarchief werd gesticht in 1938 door Henri Storck, André Thirifays en Pierre Vermeylen. Van een filmarchief kent het publiek de schermen, de programmatie, en de glimlach van de mensen aan het onthaal. Maar achter dit alles zijn er de filmbobijnen (en voortaan, de digitale bestanden), de laboratoria, de collecties papieren documenten, en de tientallen mannen en vrouwen die men niet ziet…

 

In onze depots ligt het collectieve filmgeheugen van België.


Maar vóór bezoekers kunnen genieten van een film die nergens elders bekeken kan worden, zeker niet in zijn originele vorm, of onderzoekers aan de slag kunnen met uniek historisch beeldmateriaal, is er heel wat werk aan de winkel. 
Een kleine, maar toegewijde ploeg van medewerkers identificeert, beschrijft en catalogeert binnenkomende films, selecteert voor bewaring en vertoning, controleert bewaaromstandigen, repareert, scant en digitaliseert, behandelt aanvragen, controleert rechten, vervoert, verzendt, ontvangt, restaureert, en is voortdurend op zoek naar grote en kleine oplossingen voor de bewaring en verspreiding van een medium dat sinds zijn geboorte nooit gestopt is met veranderen, op technologisch vlak, maar evenzeer qua gebruik en maatschappelijke appreciatie.

 

Online aanbod

 

De digitale collectie dient niet alleen voor vertoningen, maar ook voor programmamakers en cineasten die archiefbeelden komen zoeken voor hun eigen producties. Een klein deel van de gedigitaliseerde collectie wordt ook aangewend voor andere toepassingen zoals de aanmaak van dvd's http://cinematek.be/index.php?node=30 en online streaming via bijvoorbeeld: YouTube https://www.youtube.com/CINEMATEKfilms of www.europeanfilmgateway.eu

 

Met de live streaming van de filmconcerten op donderdag willen we de unieke aanpak van de pianisten en de diversiteit aan stille kortfilms uit de CINEMATEK collectie zichtbaar maken: Belgisch / Buitenlands, Fictie / Non-Fictie, Drama / Comedy, Kleur / Zwart-Wit, Avontuur / melodrama... Met duiding in de commentaren tijdens de live uitzending bieden we ook mensen die voor het eerst een stille film ontdekken, tips om hun kijkervaring te verdiepen.

 

 

DVDs YouTube CINEMATEKfilms Europeanfilmgateway Facebook CINEMATEK

 

Nationaal Geografisch Instituut (NGI)

 

Opdrachten

 

Het Nationaal Geografisch Instituut (NGI) heeft als hoofdopdracht om topografische kaarten van België op te stellen en te actualiseren. Het NGI produceert en integreert topogeografische referentiegegevens.
Het NGI beheert topografische databanken en biedt digitale geografische informatie en diensten aan zowel overheden, professionals als particulieren aan.
Het stelt voor België de geografische projectie vast die compatibel is met de internationale projecties. Zijn productie wordt gedeeltelijk uitbesteed aan de private sector.


De topogeografische inventaris wordt via analoge en digitale dragers beschikbaar gesteld aan de gebruikers. Via webservices wordt toegang gegeven tot de meest recente informatie. Sommige zijn gratis, voor andere wordt een betaling gevraagd.

 

Het NGI is ook belast met de uitbouw van de nationale geografische informatie-infrastructuur, die onder meer de garantie moet bieden dat de Europese wetgeving inzake geo-informatie (INSPIRE - INfrastructure for SPatial InfoRmation in Europe) correct wordt omgezet op federaal niveau.

 

Geschiedenis


Het NGI is viermaal geboren!


Bij decreet van het Voorlopig Bewind wordt op 26 januari 1831 binnen het Commissariaat-generaal van Oorlog het "Krijgs- en Topografisch Depot" opgericht. Ze krijgt o.a. als opdracht " … de vervaardiging en terbeschikkingstelling van kaarten voor krijgsverrichtingen…". Op 30 september 1843 bepaalt een koninklijk besluit dat het belast wordt met de vervaardiging van de officiële topografische kaart van het Koninkrijk. Dit opdracht wordt als wetenschappelijk beschouwd. De eerste "Kaart van

België" werd in 1873 afgerond. De topografische kaart zal voor het leger en voor het grote publiek beschikbaar zijn.

 

De cartografische werkzaamheden namen flink toe, waardoor het MILITAIR CARTOGRAFISCH INSTITUUT door het koninklijk besluit van 30 juli 1878 werd opgericht.

 

Het MCI verhuisde naar Ter Kameren, waar zijn officiers de topografielessen voor de Koninklijke Militaire School, die er al sinds 1874 geherbergd was.

 

De twee wereldoorlogen, de zware menselijke verliezen en de daaropvolgende herbouwen hebben onze activiteiten sterk beïnvloed. In 1926 wordt de equivalente oppervlaktegetrouwe voorstelling van Bonne door de hoekgetrouwe kegelprojectie van Lambert vervangen.

 

De derde geboorte door een besluit van de Regent dat op 5 maart 1947 het MILITAIR GEOGRAFISCH INSTITUUT (MGI) stichtte.

 

De « Nieuwe Kaart » op schalen 1:25 000 en 1:50 000 werd een realiteit. Opmetingen steunen op een nieuwe triangulatie, een nieuwe waterpassing en luchtfoto's. Het MGI neemt deel aan Belgische en internationale wetenschappelijke opdrachten die de reputatie van ons land op wereldniveau bevestigden.

 

We zijn uiteindelijk een vierde keer geboren door de wet van 8 juni 1976, die een gedemilitariseerd NATIONAAL GEOGRAFISCH INSTITUUT oprichtte.

 

Het verloor ook toen zijn wetenschappelijk statuut, maar is wel wetenschappelijk actief gebleven door o.a. hoogwaardige artikelen te publiceren in de gespecialiseerde kringen van internationale verenigingen terwijl een paar medewerkers in universiteiten lesgaven.

 

In de jaren 80 hebben de nieuwe technologieën ons beroep grondig veranderd. Het NGI heeft zich succesvol in de cartografie van het land alsook binnen zijn organisatie aan de nieuwe omstandigheden aangepast.

 

In maart 2020 is het Nationaal Geografisch Instituut in het midden van de pandemie verhuisd naar nieuwe lokalen op de campus van de Koninklijke Militaire School, met als nieuw adres Kortenberglaan 115 te 1000 Brussel.


(wordt vervolgd...)

 

 

NGI GEOportal of the Belgian federal institutions Cartesius

 

 

 

In 1914 heeft het Militair Cartografisch Instituut zijn activiteiten stopgezet. De abdij Ter Kameren werd door de bezettingsmacht in bezit genomen en het opgeroepen personeel heeft zich op Antwerpen teruggetrokken, dan achter het front, in Frankrijk en in Engeland. Ons personeel heeft tot het opmaken van de frontkaarten(Trench Maps) voor het Geographical Survey of the General Staff bijgedragen vanuit een niet gelokaliseerde mobiele drukkerij. Stafkaarten werden dankzij de foto's van het Militair Vliegwezen bijgewerkt. Dit 2D-proces met camera lucida werd reeds in 1922 bij het MCI geproefd maar de resultaten waren niet toereikend. Het zal zo snel mogelijk (in 1947) door 3D-stereorestitutie worden vervangen.

 



Wild en Santoni restitutieapparaten met tekentafels. Dit stap is de belangrijkste bij het opmaken van kaarten. Het bestaat in het tekenen van de punten, assen en polygonen die de objecten van de kaart zullen weergeven, alsook de hoogtelijnen om het reliëf voor te stellen. De "stereoplotters" ontvangen "stereo-paren" van luchtfoto's en werken als grote stereoscopen. Het reliëf van het landschap wordt benadrukt voor meer juistheid en nauwkeurigheid. Het MGI bij Ter Kameren in de jaren 60.

 


Koning Boudewijn op bezoek bij het Militair Geografisch Instituut in 1963. Hij wordt door generaal Mazy, directeur van het MGI, ontvangen. Achter hen staat een grote kast die de schrijnwerkers van het MCI in het XIXde eeuw (ca. 1878) voor de handgetekende minuten van de eerste Kaart van België (1861-1873) hadden gemaakt.

 

 

 

 

Het kaarttekenen gebeurt vanaf 1990 volledig via computer. Voor de stereorestitutie zijn brillen nodig met afwisselend flikkeren die aan het scherm gekoppeld zijn.

 

 

De nabijheid van de Koninklijke Militaire School kan soms bij cartografen voor concentratiestoornissen zorgen!

 

 

 



Ons nieuw adres: achter het hek bevindt zich een kleine parkeerplaats voor onze bezoekers. Welkom!

 

Sciensano

 

Oprichting van het nieuwe federale onderzoekscentrum Sciensano

 

Het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (WIV) en het Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie (CODA), twee belangrijke Belgische wetenschappelijke instellingen, werden op 1 april 2018 samengevoegd tot Sciensano.

 

Deze nieuwe speler is enig in zijn soort, zowel op het Belgische als het internationale wetenschappelijke toneel, en heeft tot doel alle bedreigingen voor de gezondheid in de brede zin van het woord te voorkomen, te evalueren en in te perken. De oprichting van Sciensano is de apotheose van het grondige voorbereidende werk en de zeer nauwe samenwerking tussen de federale minister van Volksgezondheid, Maggie De Block, de vorige en de huidige federale ministers van Landbouw, Willy Borsus en Denis Ducarme, en de betrokken federale partners en deelstaten.

 

Maggie De Block, federaal minister van Volksgezondheid: "We kunnen de gezondheid van mens en dier niet los van elkaar zien: ziektes van mensen kunnen overgaan op dieren en ook omgekeerd. Het gebruik van antibiotica in de veeteelt bijvoorbeeld heeft een belangrijke impact op antibioticaresistentie bij mensen. Daarom is het ook logisch dat het wetenschappelijk onderzoek naar menselijke en dierlijke gezondheid gestroomlijnd verloopt, en daar zorgen we nu voor met de oprichting van Sciensano."

Sciensano vloeit voort uit een globale aanpak van de gezondheid die drie dimensies gelijktijdig in beschouwing neemt. Deze zijn intrinsiek verbonden en in permanente interactie: mensen, dieren en milieu in de ruimste zin. De kracht van deze nieuwe, verenigde instelling schuilt in de combinatie van verschillende complementaire wetenschappelijke disciplines, waardoor ze meerdere, aansluitende invalshoeken kan hanteren voor onderzoek. Daardoor is Sciensano ook een uniek concept.

 

Deze vernieuwende aanpak biedt een gepast antwoord op de uitdagingen van de 21ste eeuw op het vlak van gezondheid. Korte reactietijden en oplossingen op maat staan daarbij centraal. Sciensano is voorbereid op de uitdagingen van de toekomst dankzij de bundeling van de krachten en de troeven van de twee gefuseerde instellingen.

 

 

Geschiedenis van Sciensano

 

Sciensano is ontstaan ​​uit de fusie van twee zusterinstellingen, het WIV (Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid) en het CODA (Centrum voor Onderzoek in Diergeneeskunde en Agrochemie). 

Het WIV is in 1904 ontstaan uit de fusie van het Pasteurinstituut van Brabant en het Instituut voor Hygiëne en Epidemiologie. Al meer dan een eeuw is het WIV dé referentie op het vlak van de volksgezondheid. Zijn expertise wordt vandaag algemeen erkend, zowel in België als in het buitenland. 

Het CODA is officieel opgericht in 1997, maar de instellingen die er deel van uitmaken bestaan al sinds het begin van de jaren 1900. Het CODA spitst zich toe op activiteiten voor de veiligheid van de voedselproductie, de gezondheid van dieren en de volksgezondheid.

Vanwege hun complementaire activiteiten maakt de fusie tussen het WIV en het CODA in 2018 een rationalisatie mogelijk van de personele en materiële middelen, terwijl het een alomvattend antwoord kan bieden op de gezondheidsuitdagingen van de huidige samenleving. Sciensano is gebaseerd op het 'One Health'-principe ('Eén gezondheid') volgens hetwelk de gezondheid van mens en dier en het ecosysteem onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Sciensano streeft ernaar om de mechanismen die de wisselwerking tussen mens, dier en milieu regelen, te ontcijferen om dreigingen voor de volksgezondheid te voorkomen, te evalueren en te minimaliseren. Zijn expertise staat in dienst van een enkele overtuiging: levenslang gezond

 

Geboorte van Sciensano Geschiedenis van Sciensano


Copyright © 2020 BELSPO